Jair Candor

Held van de Amazone

Een van Jair Candors mooiste taken in zijn werk voor de inheemse volkeren van Brazilië, is het beschermen van Tamanda en Pakyî. Deze twee mannen wonen in een gebied waar houtkapbedrijven staan te popelen om geld te verdienen – en niet terugdeinzen voor geweld en zelfs moord om hun zin te krijgen. Maar Tamanda en Pakyî weten hoe ze moeten overleven. Candor: ‘Die jongens zijn ninja’s!’

Jair Candor, speciale gast op het Movies that Matter Festival 2018, werkt voor FUNAI, de Braziliaanse overheidsdienst voor de bescherming van inheemse volkeren. Volgens FUNAI leven er ten minste honderd geïsoleerde inheemse bevolkingsgroepen in het Amazonegebied. ‘Mijn taak,’ zegt Candor, ‘is om op onderzoeksexpedities te gaan om te zien waar de indianen zijn, of het goed met ze gaat, en invasies te voorkomen van houtkappers, ontwikkelaars en grileiros [landrovers, red.]’

De vlindermensen
Nog niet eens zo lang geleden werden inheemse volkeren gezien als beesten, vertelt Candor in de prachtige film Piripkura: ‘Iedereen kon een pistool oppakken en het oerwoud in gaan. Als je ze tegenkwam, kon je ze vermoorden. Dat was helemaal geen punt. Je zou niet gearresteerd worden.’ In 1989 kwam Candor voor het eerst in contact met de Piripkura, ‘de vlindermensen’, genoemd naar de manier waarop ze door het bos bewegen. Toen waren ze nog met ongeveer twintig, nu zijn er nog maar drie over: Tamanda, Pakyî en Rita. Rita moest eind jaren tachtig vluchten nadat houtkapbedrijven huurlingen hadden gestuurd om mensen op haar land te vermoorden; een groot deel van haar familie werd gedood. Rita nam contact op met FUNAI, en zo begon de mooie relatie tussen Jair Candor en de Piripkura.

Constant gevaar
Rita vergezelde Candor tijdens zijn eerste expeditie op zoek naar de Piripkura, toen ze Tamanda en Pakyî vonden. Hun habitat was ernstig aangetast door de houtkapbedrijven. In 2008 lukte het FUNAI een tijdelijk bevel te krijgen waarmee het Piripkura-gebied wordt beschermd tegen alle vormen van economische activiteit. Dit bevel moet echter iedere twee jaar worden vernieuwd, en dus trekt Candor iedere twee jaar de jungle in om bewijs te vinden dat Tamanda en Pakyî er nog steeds wonen. Ondanks zijn zwakke knie loopt Candor dagen achtereen met zijn rugzak door de jungle, wadend door rivieren en het pad vrij makend met een machete.

Omdat hun land veel geld waard is, verkeren Tamanda en Pakyî in constant gevaar. Candor: ‘Als ze een houthakker of ontwikkelaar tegenkomen, zullen die niet aarzelen ze te vermoorden.’ Candor zelf loopt ook gevaar door zijn werk. ‘Ja, er zijn bedreigingen,’ zegt hij, ‘maar ik maak me er niet druk om. Als iemand zegt: die-en-die roept dat je er dit jaar niet doorkomt, dan zeg ik: ga maar in de rij staan, en die is niet kort. Ik ben van plan mijn werk te blijven doen. Ik doe wat ik leuk vind en vind leuk wat ik doe.’